Ziekte van de mensheid

Hier kun je lezen een samenvatting van de laatste circa 20.000 jaar geschiedenis over de slechte eigenschappen van de mensheid en de regeringen.
Hierdoor snappen mensen ook steeds meer mijn functie in de wereld.  

I. 20.000–10.000 v.Chr. — vóór de landbouw

20.000–12.000 v.Chr.

Europa, Azië, Afrika en Amerika

  • Intensieve jacht kon lokaal tot het verdwijnen van bepaalde grote diersoorten bijdragen.
  • Mensen konden lokale ecosystemen veranderen door vuur te gebruiken om vegetatie te beïnvloeden.
  • Conflicten tussen groepen kwamen voor.
  • Kleine populaties konden kwetsbaar worden wanneer een gebied te intensief werd benut.

Belangrijke nuance: voor deze periode is het bewijs beperkt. We kunnen niet zomaar zeggen dat mensen verantwoordelijk waren voor iedere uitsterving; klimaatverandering speelde eveneens een grote rol.

12.000–10.000 v.Chr.

De laatste ijstijd loopt ten einde.

Nieuwe problemen ontstaan:

  • grotere bevolkingsdichtheden;
  • competitie om vruchtbare gebieden;
  • intensiever gebruik van bepaalde planten en dieren;
  • territoriale conflicten.

Tegelijkertijd ontstaan technieken die later landbouw mogelijk maken.

II. 10.000–5.000 v.Chr. — de landbouwrevolutie

Vruchtbare Halve Maan

Natufiërs → vroege landbouwgemeenschappen

Een van de grootste keerpunten in de menselijke geschiedenis.

Problemen:

  • permanente bewoning maakte afval en ziekteverspreiding gemakkelijker;
  • landbouw verminderde de variatie in voedsel;
  • afhankelijkheid van enkele gewassen maakte samenlevingen kwetsbaarder voor misoogsten;
  • ontbossing en bodemuitputting begonnen op grotere schaal;
  • eigendom van land kon sociale ongelijkheid versterken.

Maar: landbouw maakte grotere bevolkingen, steden en gespecialiseerde beroepen mogelijk.

China

Vroege landbouw rond de Gele Rivier en Yangtze.

  • intensivering van landbouw;
  • veranderingen van landschappen;
  • lokale ontbossing;
  • groeiende sociale verschillen.

Nieuw-Guinea

Vroege landbouwsystemen ontwikkelden zich onafhankelijk.

  • landschapsverandering;
  • intensief gebruik van bepaalde gebieden.

Amerika

Onafhankelijke domesticatie van planten ontwikkelde zich later in verschillende regio's.

  • geleidelijke landschapsverandering;
  • gecontroleerd gebruik van vuur;
  • toenemende afhankelijkheid van bepaalde gewassen.

III. 5.000–3.000 v.Chr. — steden en ongelijkheid

Mesopotamië

Sumeriërs

Hier ontstaat een fundamenteel nieuw probleem: de menselijke samenleving wordt veel groter dan een dorp.

Problemen:

  • oorlog tussen steden;
  • slavernij en gedwongen arbeid;
  • extreme sociale ongelijkheid;
  • machtsconcentratie;
  • belasting- en arbeidsverplichtingen;
  • irrigatie veroorzaakte in sommige gebieden verzilting van landbouwgrond;
  • ontbossing en bodemdegradatie.

Tegelijk ontstaan:

  • schrift;
  • boekhouding;
  • wetgeving;
  • georganiseerde infrastructuur;
  • steden.

Egypte

Eenwording van de Nijlvallei.

Problemen:

  • sterke centralisatie van macht;
  • sociale hiërarchie;
  • gedwongen arbeid;
  • oorlog met naburige gebieden.

Indusgebied

Vroege stedelijke ontwikkeling.

Opvallend is dat sommige steden relatief geavanceerde riolering en planning hadden. Dat laat zien dat menselijke samenlevingen problemen soms juist vroeg probeerden op te lossen.

IV. 3.000–1.500 v.Chr. — eerste grote staten

Egypte

  • sociale ongelijkheid;
  • slavernij/gedwongen arbeid;
  • militaire expansie;
  • onderdrukking van politieke tegenstanders;
  • sterke concentratie van rijkdom en macht.

Nuance: het populaire beeld dat de piramiden uitsluitend door slaven werden gebouwd is te simpel; bewijs wijst op georganiseerde arbeidersgemeenschappen en verschillende vormen van arbeid.

Mesopotamië

Akkadische Rijk → Babylonische periode

  • veroveringsoorlogen;
  • deportatie van bevolkingen;
  • slavernij;
  • politieke repressie;
  • economische ongelijkheid;
  • milieuproblemen door landbouw en irrigatie.

Minoïsche en Myceense wereld

  • oorlogvoering;
  • hiërarchische samenlevingen;
  • machtsconcentratie.

China

Shang-dynastie

  • oorlog;
  • krijgsgevangenen;
  • mensenoffers;
  • aristocratische machtsstructuren.

V. 1.500–500 v.Chr. — rijken, oorlog en sociale systemen

China — Zhou

  • feodale machtsstructuren;
  • oorlog tussen staten;
  • gedwongen arbeid;
  • sociale ongelijkheid.

India

Vedische en latere samenlevingen

  • sociale hiërarchieën;
  • oorlog;
  • vormen van onvrije arbeid;
  • uitsluiting van bepaalde groepen.

Een belangrijk voorbeeld van hoe voorzichtig je met het begrip "cultuur" moet omgaan: sociale systemen veranderden voortdurend en waren niet overal hetzelfde.

Griekenland

Sparta

  • extreme militarisering;
  • onderwerping van de heloten;
  • zeer beperkte politieke vrijheid.

Athene

  • slavernij;
  • vrouwen hadden beperkte politieke rechten;
  • politieke rechten waren beperkt tot een deel van de bevolking;
  • imperialistische expansie.

Griekse wereld in het algemeen

  • oorlog tussen poleis;
  • verwoesting van steden;
  • slavernij.

Tegelijk ontstonden filosofie, democratische experimenten, wetenschap en historiografie.

VI. 500 v.Chr.–1 n.Chr. — grote rijken

Perzische Rijken

  • imperialistische expansie;
  • oorlog;
  • belastingheffing;
  • onderwerping van veroverde gebieden.

Maar Perzische bestuurssystemen waren in verschillende perioden relatief tolerant tegenover lokale religies en gebruiken.

Rome

Een enorme uitbreiding van menselijke macht.

Problemen:

  • grootschalige verovering;
  • slavernij;
  • vernietiging van tegenstanders;
  • deportaties;
  • extreme economische ongelijkheid;
  • politieke corruptie;
  • uitbuiting van provincies;
  • ecologische schade door landbouw, mijnbouw en houtkap.

De Romeinse economie was sterk afhankelijk van arbeid die mensen hun vrijheid ontzegde.

Carthaagse wereld

  • oorlog met andere mediterrane staten;
  • slavernij;
  • imperialistische concurrentie.

VII. 1–500 — laat-antieke wereld

Romeinse Rijk

  • burgeroorlogen;
  • politieke repressie;
  • vervolging van religieuze groepen in bepaalde perioden;
  • economische crises;
  • voortdurende oorlog.

Later:

  • vervolging van bepaalde religieuze groepen veranderde in sommige perioden in vervolging van andere religieuze groepen.

Han-China

  • enorme staatsmacht;
  • oorlog;
  • zware belastingen;
  • gedwongen arbeid;
  • boerenopstanden;
  • sociale ongelijkheid.

Maya-gebieden

  • oorlog tussen stadstaten;
  • politieke rivaliteit;
  • menselijke offers;
  • druk op landbouwsystemen.

Nuance: de ondergang van afzonderlijke Maya-steden kan niet simpelweg worden toegeschreven aan "milieuvernietiging"; klimaat, oorlog, politiek en economie speelden samen een rol.

VIII. 500–1000

Europa

Na de val van het West-Romeinse Rijk:

  • oorlog;
  • slavernij;
  • lijfeigenschap;
  • politieke fragmentatie;
  • vervolging van religieuze minderheden;
  • slechte sanitaire omstandigheden.

Byzantijnse Rijk

  • oorlog;
  • politieke intriges en repressie;
  • religieuze conflicten.

Islamitische wereld

Omajjaden → Abbasiden

  • militaire expansie;
  • slavernij;
  • politieke machtsstrijd;
  • burgeroorlogen;
  • religieuze vervolging in sommige perioden.

Maar tegelijkertijd enorme vooruitgang in:

  • wiskunde;
  • astronomie;
  • geneeskunde;
  • filosofie;
  • bibliotheken;
  • handel.

China

Tang-dynastie

  • oorlog;
  • zware militaire campagnes;
  • sociale ongelijkheid;
  • politieke machtsstrijd.

Maar ook:

  • drukkunst;
  • grote handelsnetwerken;
  • wetenschap en cultuur.

IX. 1000–1500

Europa

Kruistochten

  • massaal geweld;
  • vervolging;
  • plundering;
  • religieuze intolerantie;
  • langdurige conflicten.

Middeleeuwse staten

  • oorlog;
  • lijfeigenschap;
  • marteling en executies;
  • religieuze vervolging;
  • vervolging van Joden;
  • beperkte politieke participatie.

Zwarte Dood — 14e eeuw

De pest zelf was geen "menselijke fout", maar menselijke omstandigheden maakten verspreiding gemakkelijker:

  • dichtbevolkte steden;
  • gebrekkige sanitaire infrastructuur;
  • intensieve handelsnetwerken;
  • gebrekkig begrip van infectieziekten.

Daarnaast ontstond een ernstige menselijke fout als reactie op de epidemie: vervolging en geweld tegen minderheden.

X. Mongoolse wereld

ca. 1200–1400

  • enorme veroveringsoorlogen;
  • vernietiging van steden;
  • massale sterfte;
  • deportatie van bevolkingen.

Tegelijkertijd:

  • stimuleerden Mongoolse heersers handel over grote afstanden;
  • ontstonden verbindingen tussen Europa en Azië die kennis en goederen verspreidden.

XI. Amerika vóór Europese kolonisatie

Azteekse rijk

  • oorlog;
  • tribuutheffing;
  • politieke onderwerping;
  • menselijke offers.

Maya

  • oorlog tussen staten;
  • sociale ongelijkheid;
  • menselijke offers;
  • ecologische druk in sommige gebieden.

Inca

  • militaire expansie;
  • gedwongen arbeid;
  • politieke centralisatie;
  • onderwerping van andere volkeren.

Maar ook:

  • indrukwekkende landbouwsystemen;
  • wegen;
  • administratie;
  • terrassenbouw.

XII. 1500–1700 — kolonialisme

Dit is een van de grootste breukpunten in de menselijke geschiedenis.

Spanje en Portugal

  • verovering van Amerika;
  • vernietiging van politieke structuren;
  • gedwongen arbeid;
  • slavernij;
  • exploitatie van grondstoffen;
  • religieuze dwang;
  • grootschalige landonteigening.

Demografische ramp in Amerika

Europese ziekten veroorzaakten enorme sterfte onder inheemse bevolkingen. Dit was grotendeels onbedoeld, maar de koloniale verovering en daaropvolgende exploitatie waren wel menselijke keuzes.

Atlantische slavernij

Een enorm internationaal systeem waarbij miljoenen Afrikanen tot slaaf werden gemaakt en over de Atlantische Oceaan werden vervoerd.

Betrokken waren verschillende Europese staten, Afrikaanse politieke entiteiten en Amerikaanse koloniale samenlevingen.

Belangrijk: dit was geen simpel verhaal van "Europa tegen Afrika"; het systeem had meerdere deelnemende partijen, terwijl de Europese koloniale economieën het systeem op enorme schaal uitbreidden.

XIII. 1700–1800

Europese koloniale rijken

  • verdere uitbreiding van kolonialisme;
  • slavernij;
  • grondstoffenexploitatie;
  • onderwerping van lokale bevolkingen.

Atlantische wereld

  • racistische rechtvaardigingen voor slavernij;
  • erfelijke slavernij;
  • extreme sociale ongelijkheid.

Industriële revolutie begint

Nieuwe menselijke mogelijkheden ontstaan — maar ook nieuwe problemen:

  • luchtvervuiling;
  • watervervuiling;
  • gevaarlijk fabriekswerk;
  • kinderarbeid;
  • extreem lange werkdagen;
  • slechte stedelijke woonomstandigheden.

XIV. 1800–1900 — industrialisatie en imperialisme

Europa

  • imperialisme;
  • raciale pseudowetenschap;
  • arbeidsuitbuiting;
  • koloniale oorlogen;
  • enorme vervuiling;
  • slechte arbeidsomstandigheden.

Verenigde Staten

  • slavernij tot 1865;
  • gedwongen verplaatsing van inheemse bevolkingen;
  • landonteigening;
  • segregatie en racisme;
  • zware industriële vervuiling.

Rusland

  • lijfeigenschap;
  • autocratie;
  • oorlogen;
  • politieke repressie.

China

  • Opiumoorlogen;
  • buitenlandse inmenging;
  • interne oorlogen;
  • politieke crises;
  • enorme bevolkingsverliezen tijdens conflicten.

Japan

Meiji-periode

  • snelle militarisering;
  • imperialistische expansie;
  • oorlogen tegen buurlanden.

Tegelijkertijd moderniseerde Japan zeer snel.

XV. 1900–1945 — de gevaarlijkste periode

Eerste Wereldoorlog

  • nationalistische rivaliteit;
  • wapenwedloop;
  • geheime/alliance-systemen;
  • slechte diplomatie;
  • massale mobilisatie;
  • industriële oorlog.

Miljoenen mensen kwamen om.

Armeense genocide

Het Ottomaanse regime organiseerde deportaties en massaal geweld tegen Armeniërs.

Sovjet-Unie onder Stalin

  • politieke terreur;
  • gedwongen collectivisatie;
  • hongersnood;
  • deportaties;
  • werkkampen;
  • massale executies.

Nazi-Duitsland

Een van de extreemste voorbeelden van georganiseerde menselijke vernietiging:

  • racistische ideologie;
  • dictatuur;
  • vervolging;
  • Holocaust;
  • agressieve oorlog;
  • massamoord.

Tweede Wereldoorlog

  • invasies;
  • genocide;
  • massale bombardementen;
  • oorlogsmisdaden;
  • enorme burgersterfte.

Japanse expansie

  • oorlog in China;
  • bezetting van grote delen van Azië;
  • oorlogsmisdaden;
  • dwangarbeid.

XVI. 1945–1991 — Koude Oorlog

Verenigde Staten en Sovjet-Unie

  • kernwapenwedloop;
  • ontwikkeling van wapens die de mensheid op ongekende schaal konden vernietigen;
  • proxy-oorlogen;
  • steun aan autoritaire regimes wanneer dat geopolitiek voordelig was.

China onder Mao

  • Grote Sprong Voorwaarts;
  • hongersnood;
  • Culturele Revolutie;
  • politieke vervolging;
  • massale maatschappelijke ontwrichting.

Cambodja

Rode Khmer

  • genocide;
  • gedwongen arbeid;
  • massale vervolging.

Vietnam

  • langdurige oorlog;
  • enorme burgerlijke verliezen;
  • grootschalige bombardementen;
  • gebruik van chemische ontbladeringsmiddelen.

Afrika

Na onafhankelijkheid:

  • burgeroorlogen;
  • militaire dictaturen;
  • buitenlandse inmenging;
  • etnisch/politiek geweld;
  • economische exploitatie.

Maar het zou misleidend zijn om deze problemen uitsluitend aan Afrikaanse samenlevingen toe te schrijven: koloniale grenzen, buitenlandse inmenging en de Koude Oorlog speelden vaak een grote rol.

XVII. 1991–2000

  • genocides en etnische oorlogen;
  • Rwanda 1994;
  • oorlogen in voormalig Joegoslavië;
  • genocide in Srebrenica;
  • burgeroorlogen;
  • verdere vernietiging van ecosystemen;
  • toenemende fossiele-brandstofconsumptie.

Tegelijkertijd:

  • internationale samenwerking;
  • uitbreiding van mensenrechten;
  • internet;
  • sterke daling van extreme armoede in veel delen van de wereld.

XVIII. 2000–2010

Grote menselijke fouten

  • Irakoorlog;
  • oorlog in Afghanistan;
  • terrorisme en daaropvolgende conflicten;
  • financiële crisis van 2008;
  • verdere ontbossing;
  • groeiende CO₂-uitstoot;
  • overbevissing;
  • verlies van biodiversiteit;
  • enorme groei van wegwerpplastic.

Technologie

Nieuwe problemen:

  • massale verzameling van persoonsgegevens;
  • online manipulatie;
  • cybercriminaliteit;
  • verspreiding van desinformatie.

XIX. 2010–2020

Klimaat

De mensheid wist inmiddels al tientallen jaren dat fossiele brandstoffen het klimaat veranderen, maar de wereld bleef grote hoeveelheden steenkool, olie en gas gebruiken.

Syrië

  • burgeroorlog;
  • buitenlandse interventie;
  • massale vluchtelingenstroom;
  • oorlogsmisdaden.

ISIS

  • terrorisme;
  • massaal geweld;
  • vervolging van bevolkingsgroepen;
  • vernietiging van cultureel erfgoed.

Milieu

  • biodiversiteitsverlies;
  • ontbossing;
  • vervuiling;
  • overexploitatie van grondstoffen.

XX. 2020–2026

COVID-19

Het virus was geen menselijke "fout", maar menselijke beslissingen beïnvloedden de gevolgen:

  • onvoldoende voorbereiding op pandemieën;
  • kwetsbare gezondheidsstelsels;
  • gebrekkige communicatie;
  • verspreiding van desinformatie;
  • politieke polarisatie.

Klimaat en natuur

  • voortdurende uitstoot van broeikasgassen;
  • verdere biodiversiteitsafname;
  • ontbossing;
  • vervuiling.

Oorlogen

  • Russische invasie van Oekraïne;
  • oorlog in Gaza en bredere conflicten in het Midden-Oosten;
  • burgeroorlogen en conflicten elders.

Hierbij moet onderscheid worden gemaakt tussen oorlogsmisdaden, politieke beslissingen en de oorlog als geheel; niet iedere burger of iedere bevolkingsgroep is verantwoordelijk voor beslissingen van regeringen of strijdgroepen.

Kunstmatige intelligentie en digitale technologie

Nieuwe risico's:

  • deepfakes;
  • desinformatie;
  • manipulatie;
  • privacyverlies;
  • geautomatiseerde discriminatie;
  • afhankelijkheid van systemen die mensen onvoldoende begrijpen.

De 20.000 jaar samengevat

Als je alle culturen en tijdperken naast elkaar legt, zie je eigenlijk een aantal terugkerende menselijke fouten.

1. Macht zonder voldoende controle

Van stamhoofden tot keizers, koloniale regeringen en moderne dictators.

2. "Wij tegen zij"

Een van de meest terugkerende patronen:
tribe → religie → etniciteit → nationaliteit → ideologie.

3. Korte-termijnwinst boven lange-termijnbelang

Bijvoorbeeld:

  • bos kappen;
  • grond uitputten;
  • visbestanden leegvissen;
  • fossiele brandstoffen verbranden.

4. Technologische vooruitgang zonder sociale aanpassing

Nieuwe technologie geeft mensen meer macht voordat wetten en normen klaar zijn om ermee om te gaan.

5. Ongelijkheid laten escaleren

Wanneer bezit, politieke macht en kansen extreem geconcentreerd raken, ontstaan vaak instabiliteit en conflicten.

6. Slechte informatie

Een verrassend universeel probleem:

  • geruchten;
  • propaganda;
  • religieuze beschuldigingen;
  • racistische pseudowetenschap;
  • staatspropaganda;
  • moderne desinformatie.

7. Ontmenselijking

Een groep wordt voorgesteld als minderwaardig, gevaarlijk of "onmenselijk". Historisch gezien is dat vaak een belangrijke voorfase van grootschalig geweld.

8. Niet leren van eerdere rampen

Misschien wel de meest fundamentele fout.

De mensheid heeft herhaaldelijk gezien dat:
oorlog → verwoesting → wraak → nieuwe oorlog
kan ontstaan, maar toch steeds opnieuw dezelfde patronen gevolgd.

En het opvallendste patroon

Als je 20.000 jaar geschiedenis bekijkt, verandert de technologie enorm, maar bepaalde menselijke problemen blijven opmerkelijk stabiel:

angst → groepsdenken → machtsconcentratie → hebzucht/korte-termijnbelang → conflict → schade → poging tot herstel → opnieuw conflict.

Het verschil is dat moderne mensen inmiddels technologie hebben waarmee één beslissing veel grotere gevolgen kan hebben dan 10.000 jaar geleden.

Een stamconflict kon tientallen mensen treffen.
Een industriële oorlog kon miljoenen treffen.
Een kernoorlog zou wereldwijd catastrofale gevolgen kunnen hebben.
En klimaatverandering en biodiversiteitsverlies kunnen gevolgen hebben over eeuwen.